Lezingen:
Exodus 10:1–13:16; Jeremia 46:13–28; Romeinen 9:14–29

“Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga naar de farao toe, want Ík heb zijn hart en het hart van zijn dienaren onvermurwbaar gemaakt, zodat Ik deze tekenen van Mij in zijn midden kan verrichten,...” (Exodus 10:1)

 

“Kom tot de farao” – God die meegaat

Parasha Bo voert ons naar het beslissende moment van de uittocht uit Egypte. Opvallend is de manier waarop God Mozes aanspreekt: “Kom tot de farao” (Exodus 10:1). Het Hebreeuwse bo betekent niet eenvoudig “ga”, maar drukt betrokkenheid en nabijheid uit. God stuurt Mozes niet alleen op pad, maar nodigt hem uit: kom, ga met Mij mee. Juist wanneer de confrontatie met farao haar dieptepunt bereikt, openbaart God Zich niet op afstand, maar als de God die meegaat.

De uitnodiging raakt ons eigen leven

Die uitnodiging raakt ook ons leven. Ook wij kunnen in situaties komen waarin spreken moeilijk is: op het werk, in de familie, of binnen relaties waar geloof onder druk staat. Er wordt iets gezegd of gedaan dat ingaat tegen Gods waarheid, en innerlijk weten we: hier zou ik kleur moeten bekennen. Tegelijk is er angst voor verlies van positie, relaties of veiligheid. Zwijgen lijkt dan veiliger dan spreken. Juist in zulke momenten klinkt Gods woord niet als: “Ga maar, los het zelf op”, maar als bij Mozes: “Kom — Ik ga met je mee.” Niet met de belofte dat het gemakkelijk zal zijn, wel dat wij het niet alleen hoeven te dragen.

Een grens bereikt – oordeel en verlossing naast elkaar

In Parasha Bo wordt duidelijk dat een grens is bereikt. Farao heeft herhaaldelijk waarschuwingen ontvangen; elke plaag bood ruimte tot omkeer. Maar zijn hart verhardt zich steeds verder. De laatste plagen markeren geen nieuwe oproep tot bekering, maar een onontkoombare beslissing. Oordeel en verlossing verschijnen naast elkaar: terwijl Egypte wordt getroffen door duisternis en dood, bereidt God in stilte de bevrijding van Zijn volk voor.

Verharding en duisternis in de Schrift

Deze samenhang tussen verharding en duisternis zien we vaker in de Schrift. Waar het hart zich sluit voor God, verdwijnt het licht. Bij farao wordt dat zichtbaar in tastbare duisternis. Bij koning Saul zien we innerlijke duisternis: nadat hij Gods woord verwerpt, wijkt de Geest van de HEERE en wordt hij door angst en onrust benauwd (1 Samuël 16:14).

 

Jeremia – niet willen horen is niet meer kunnen zien

Ook op het niveau van een volk klinkt deze waarschuwing. De profeet Jeremia roept Juda toe: “Zij hebben ogen, maar zien niet; oren, maar horen niet” (Jer. 5:21). Hij laat zien dat duisternis geen plots oordeel is, maar het gevolg van een hart dat Gods correctie afwijst (vgl. Jer. 7:24; 13:15–17). Wie niet wil horen, verliest uiteindelijk het vermogen om te zien.

 

Mitsrajim – leven zonder ruimte

Tegen deze achtergrond krijgt het contrast tussen Egypte en Gosen diepe betekenis. De naam Mitsrajim (Egypte) hangt samen met mêtsar: benauwdheid, beperking, ingesloten zijn. Egypte wordt zo meer dan een land; het wordt een geestelijk begrip voor slavernij en leven zonder ruimte. De rabbijnen vatten dit kernachtig samen: “Egypte is elke plaats waar de ziel geen ruimte heeft om God te dienen.”

 

Gosen – licht en nabijheid binnen de benauwdheid

Daartegenover staat Gosen. Hoewel de naam minder eenduidig te herleiden is, wordt zij verbonden met nabijheid en vruchtbaarheid. Gosen was het meest vruchtbare deel van Egypte, een plaats van rust, onderhoud en ruimte om te leven (Gen. 47:6). Symbolisch staat Gosen voor bescherming en licht binnen de benauwdheid. Niet buiten Egypte, maar ín Egypte maakt God een plaats waar Zijn volk kan leven in Zijn nabijheid. Terwijl Egypte in duisternis gehuld is, is er licht in Gosen.

 

Herinnering vóór triomf – de kern van Pesach

Opmerkelijk is dat Parasha Bo niet eindigt bij de doortocht door de zee, maar bij de instelling van Pesach en de geboden rond herinnering en doorgeven (Ex. 13:1–16). De kern van de uittocht is niet het spectaculaire wonder, maar de vorming van een volk dat leeft vanuit herinnering, gehoorzaamheid en identiteit. Verlossing betekent leren leven als verlost volk.

 

Haftara – God blijft Heer over de geschiedenis

Deze lijn klinkt door in de haftara (Jer. 46:13–28): Egypte wordt geoordeeld, maar Israël wordt bewaard. God blijkt niet alleen de God van een historisch moment, maar blijvend Heer over de geschiedenis. Wat verborgen begint, zal openbaar worden.

 

Messias ben Jozef en Messias ben David

Binnen de Joodse traditie wordt dit patroon verstaan via het onderscheid tussen Messias ben Jozef en Messias ben David: eerst de verborgen, lijdende weg van voorbereiding, daarna de openlijke, koninklijke vervulling. Parasha Bo blijft bij die eerste fase: verlossing begint in het verborgene, achter gesloten deuren, terwijl de nacht nog duurt.

 

Romeinen 9 – Gods verborgen, maar trouwe weg

In Messiaans-joodse en christelijke lezingen wordt deze parasha vaak verbonden met Romeinen 9:14–29. Paulus onderstreept daar Gods soevereiniteit in oordeel en barmhartigheid. Farao verhardt zijn hart, maar wordt tegelijk opgenomen in Gods grotere plan, opdat Gods Naam bekend wordt. Gods weg is soms verborgen en aanstootgevend, maar nooit willekeurig en nooit los van Zijn beloften.

 

Reflectie: 'Kom'

Parasha Bo confronteert ons met Gods nabijheid. Hij zegt: “Kom.” Verlossing begint niet bij begrijpen of beheersen, maar bij gehoorzamen en vertrouwen terwijl de uitkomst nog verborgen is. Het bloed aan de deurposten herinnert ons eraan dat geloof vaak concrete daden vraagt vóórdat bevrijding zichtbaar wordt. Misschien begint onze eigen uittocht precies daar: waar wij leren vertrouwen op Gods nabijheid, zelfs wanneer de nacht nog niet voorbij is.