Lezingen:
Exodus 1:1–6:1; Jesaja 27:6–28:13; 29:22–23; Jeremia 1:1–2:3 Lucas 5:12–39

“Dit nu zijn de namen van de zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte waren gekomen.”
(Exodus 1:1)

 

Van familie naar volk

Parasha Shemot vormt een nieuw begin in de Torah. Met het overlijden van Jakob en Jozef eindigt het boek Genesis, waarin Gods belofte zich ontvouwde in het leven van aartsvaders en hun gezinnen. Exodus opent met een opsomming van namen, waarmee het verhaal bewust voortbouwt op wat eerder is begonnen. De belofte die Adonai aan Abraham gaf, blijkt niet vergeten of vertraagd, maar werkzaam – zelfs in vreemde en vijandige omstandigheden.

Wat begint als een kleine familie van zeventig personen, groeit in Egypte uit tot een talrijk volk. Deze groei is geen toeval, maar een teken van Gods zegen. Tegelijk roept zij angst op bij een nieuwe farao, die Jozef niet heeft gekend en Israël niet ziet als drager van belofte, maar als bedreiging voor zijn macht. Angst leidt tot onderdrukking, en onderdrukking tot slavernij.

De farao probeert Israëls toekomst te beheersen door dwangarbeid, en uiteindelijk door het doden van pasgeboren jongetjes. Toch blijkt juist deze harde onderdrukking de ruimte te zijn waarin Gods plan verder rijpt. Hoe meer Israël wordt verdrukt, hoe meer het groeit. Wat bedoeld is om leven te breken, wordt door God gebruikt om leven voort te brengen.

 

Gods gerechtigheid in de geschiedenis

Het verhaal van Exodus laat een diep bijbels principe zien: menselijke daden keren terug naar de dader. De farao die kinderen in de Nijl laat werpen, verliest uiteindelijk zijn leger in de wateren van de Rietzee. Gods handelen is geen willekeurige macht, maar rechtvaardige omkering. Zoals de profeten later verwoorden: wat de mens zaait, zal hij oogsten.

Dit betekent niet dat God onverschillig toekijkt tot het kwaad zichzelf vernietigt. Integendeel: Hij hoort het geroep van Zijn volk. In Exodus 2 wordt nadrukkelijk gezegd dat God het gekerm van Israël hoort, hun lijden ziet en Zich hun lot aantrekt. Gods betrokkenheid is persoonlijk en bewogen.

Namen als dragers van roeping

De titel Shemot (“Namen”) nodigt uit om stil te staan bij de betekenis van namen in de Bijbel. Namen zijn geen labels, maar vensters op identiteit en bestemming.

Jakob, wiens naam verbonden is met “hiel” en “verdringing”, belichaamt de mens die verlangt naar zegen maar deze vaak langs eigen wegen zoekt. Zijn levensverhaal is getekend door strijd, misleiding en teleurstelling. Pas in zijn ontmoeting met God, in de nachtelijke worsteling, ontvangt hij een nieuwe naam: Israël. Deze naam weerspiegelt een innerlijke omvorming – van iemand die vasthoudt aan zichzelf, naar iemand die zich vastklampt aan God.

Ook Mozes draagt een naam die zijn roeping vooruitwijst. “Uit het water getrokken” wordt hij degene die later het volk door het water zal leiden. Zijn levensweg beweegt zich tussen twee werelden: het Egyptische hof en de Hebreeuwse slavensituatie, macht en kwetsbaarheid, roeping en vlucht.

Wanneer Mozes zijn zoon Gershom noemt, “vreemdeling daar”, verwoordt hij zijn innerlijke ervaring: geroepen, maar ontheemd. Deze spanning vormt de bedding waarin God hem later ontmoet.

 

De openbaring van Gods Naam

Het hart van Parasha Shemot ligt in de ontmoeting bij de brandende struik. Mozes vraagt naar Gods Naam, niet uit nieuwsgierigheid, maar uit noodzaak: wie is de Adonai die hem zendt?

Gods antwoord – Ehyeh Asher Ehyeh – openbaart geen definitie, maar een relatie. JHWH is Degene die aanwezig zal zijn, Die meegaat, Die trouw blijft. Zijn Naam is belofte vóórdat het verklaring is.

Met de Naam YHWH openbaart Adinai Zich als de tijdloze: Hij was, Hij is, Hij zal zijn. Deze Naam wordt in Israël met diepe eerbied behandeld, uitgesproken door de hogepriester op de Grote Verzoendag, en omgeven door stilte en ontzag. Gods Naam maakt duidelijk dat Hij niet gebonden is aan omstandigheden, tijd of menselijke macht.

 

Roeping en weerstand

Opmerkelijk is dat Mozes, ondanks deze openbaring, blijft aarzelen. Hij voelt zich onbekwaam, niet welsprekend, onvoldoende toegerust. Zijn vragen – “Wie ben ik?” en “stuur toch iemand anders” – zijn geen opstand, maar uitdrukking van innerlijke worsteling.

God reageert niet met afwijzing, maar met geduld. Hij wijst Mozes niet op diens kwaliteiten, maar op Zijn eigen aanwezigheid: “Ik zal met je zijn.” Wanneer Mozes blijft aandringen, wordt Aäron aan hem toegevoegd, zonder dat zijn roeping wordt ingetrokken. Zo wordt duidelijk dat Gods werk niet afhankelijk is van menselijke perfectie, maar van Gods trouw.

 

Van ballingschap naar belofte

De Haftarah uit Jesaja verdiept deze beweging. Israël zal wortel schieten en vrucht dragen. Opnieuw klinken beide namen: Jakob en Israël. Jakob staat voor het begin, het kwetsbare wortelen; Israël voor de vervulling, de bloei.

Ballingschap is niet het laatste woord. Adonai verzamelt, herstelt en brengt Zijn volk terug. Wat verspreid is, wordt bijeen geroepen. Wat verloren lijkt, krijgt toekomst.

 

Verbinding met Lucas 5

In Lucas 5 zien we hoe Yeshua mensen aanraakt die buitengesloten zijn: melaatsen, tollenaars, gebrokenen. Net als in Exodus blijft God niet op afstand, maar komt Hij dichtbij. Bevrijding gebeurt niet door morele verbetering, maar door ontmoeting.

Jezus spreekt over nieuwe wijn in nieuwe zakken. Nieuwe bevrijding vraagt om nieuwe ruimte. Zo kon Israël Egypte niet achter zich laten en toch in slavernij blijven; zo kan ook innerlijke vernieuwing niet gevangen blijven in oude patronen.

Reflectie

Wanneer wij Parasha Shemot lezen, herkennen wij onszelf. Wij kennen momenten van gebondenheid, twijfel en innerlijke slavernij. Ook wij vragen ons soms af of wij geroepen zijn, of wij wel voldoende zijn.

Toch klinkt Gods antwoord steeds opnieuw: Ik zal met je zijn. Hij kent ons bij name, ziet ons hart en weet wie wij kunnen worden. Zoals Jakob Israël werd, zo mogen ook wij groeien – van overleven naar bloeien, van angst naar vertrouwen.

Bevrijding is geen eenmalige gebeurtenis, maar een weg. Adonai nodigt ons uit om die weg te gaan, stap voor stap, gedragen door Zijn Naam en Zijn nabijheid. In die ruimte mogen wij wortel schieten, vrucht dragen en tot zegen worden — voor onszelf en voor de wereld om ons heen.