Lezingen:
Leviticus 6:8–36; Maleachi 3:4–24; Markus 7:31–8:38

“De HEERE sprak tot Mozes: Gebied Aäron en zijn zonen: Dit is de wet voor het brandoffer. Het brandoffer zelf moet de hele nacht tot de morgen op de vuurhaard van het altaar blijven, en het vuur van het altaar moet erop blijven branden" (Lev. 6:8–9).

 

Inleiding

In de voorgaande Parasha, Vayikra, sprak God tot Mozes vanuit de tent van samenkomst en gaf Hij hem de wetten over de offergaven (korbanot) inclusief de voorwaarden waaronder ze gebracht moesten worden om dichter bij God te komen.

De Parasha heet Tzav, wat ‘bevelen’ of ‘opdracht geven’ betekent.

God droeg Mozes op om Aäron en zijn zonen te instrueren over hun rechten en plichten als kohanim, de priesters uit de lijn van Aäron. In Tzav staat onder meer het gebod dat het vuur op het altaar altijd brandend moet blijven en nooit mag doven (Lev. 6:13).

Dit herinnert ons aan het gebruik bij het aansteken van de sjabbatkaarsen op vrijdagavond: de vlammen worden niet uitgeblazen, maar laten we de kaarsen volledig opbranden. Zo mogen ook onze harten altijd helder branden met het vuur dat God daarin heeft aangestoken, ongehinderd door de zorgen van de wereld.

In Tzav wordt ook de priesters de juiste procedure voor het brengen van de verplichte offers namens het volk Israël uitgelegd. Deze offers worden onderverdeeld in vijf categorieën: het brandoffer, het graanoffer, het vredesoffer, het zondoffer en het schuldoffer.

 

Korbanot Olah – Brandoffer

“Als zijn offergave een brandoffer van runderen is, moet hij een mannetje zonder enig gebrek aanbieden. Hij moet dat bij de ingang van de tent van ontmoeting aanbieden om een welgevallen voor zich te vinden voor het aangezicht van de HEERE" (Lev. 1:3).

Korbanot Olah zijn vrijwillige offers die volledig verbrand worden; er mag niets van worden gegeten. Om het offer te brengen, leidt de aanbidder een mannelijk dier zonder gebreken naar de ingang van de tabernakel. Wie niet de middelen heeft voor een stier, ram of geit kan een mannelijke of vrouwelijke duif of tortelduif offeren. Vervolgens legt de aanbidder zijn handen op de kop van het dier, in het besef dat dit onschuldige wezen de prijs voor zijn zonden zal dragen. Nadat hij Adonai om vergeving heeft gevraagd, wordt het dier geslacht en volledig aan God geofferd.

 

Minchah – Graanoffer

In Parasha Tzav worden ook de voorschriften besproken voor de Minchah, het graanoffer, waarbij het volk Israël een gift of geschenk aan God brengt.

Een deel van dit offer, vaak een handvol (Kometz), werd op het altaar verbrand, terwijl de priester de rest mocht eten. Meestal werd de beste bloem gebruikt, gemengd met olie en zout, om een cake te bakken. Het offer mocht echter geen rijsmiddel of honing bevatten: hoewel honing tijdens het koken een aangename geur afgeeft, ruikt het bitter en onaangenaam wanneer het verbrand wordt. Het offer moest een zoete geur verspreiden, net als de wierook die erbij werd gebracht.

Zout en zuurdesem symboliseren twee tegengestelde principes: zout conserveert en beschermt, terwijl zuurdesem radicaal verandert en wordt geassocieerd met zonde, trots, hypocrisie, valse leer en wereldgezindheid (1 Kor. 5:6–8; Luk. 12:1; Gal. 5:9; Mark. 8:15).

Hoewel Tzav zich op graan richt, vinden we elders ook groenten en dieren als onderdeel van een Minchah (Gen. 4:3–4; 1 Sam. 2:15–17). Interessant is dat zowel Kaïn als Abel een Minchah aanboden, maar geen Korban Olah. Abels offer werd aanvaard, Kaïn’s niet.

Abel gaf een groot deel van de eerstelingen van zijn kudde (Gen. 4:4). Dit laat zien dat Abel niet zomaar iets gaf, maar de eerstelingen en het beste deel (“hun vet”), wat in de Bijbel vaak staat voor kwaliteit en toewijding. Dat ondersteunt de formulering dat Abel een groot en kostbaar deel van zijn kudde offerde. Bij Kaïn wordt vermeld dat hij “vruchten van de aarde” bracht, zonder te specificeren dat het de eerstelingen of het beste waren. Dit suggereert dat Kaïn zijn offer zonder geloof of oprechte intentie bracht (Hebr. 11:1–2, 4; 1 Joh. 3:12).

Toen God Kaïn en zijn offer verwierp, werd hij verbitterd. God bood hem genade en zei dat hij aanvaard zou worden als hij goed handelde, maar Kaïn koos ervoor Gods advies te negeren. In Genesis 4:5–7 lezen we immers over zijn woede en verbittering: “… maar op Kaïn en op zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen ontstak Kaïn in grote woede en liet hij zijn hoofd zakken. En de HEERE zei tegen Kaïn: Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken? Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.’

De Hebreeuwse tekst geeft ons iets meer duidelijkheid over deze passage. Is het niet zo: als jij goed doet, is er verhoging? Maar als jij niet goed doet, ligt de zonde aan de deur;naar jou gaat zijn verlangen uit, maar jij moet over hem heersen.

Dit vers combineert belofte (verhoging bij goed handelen) en waarschuwing (zonde als een dreigende macht), met een duidelijke oproep tot persoonlijke verantwoordelijkheid. Zijn ongeloof echter leidde tot rebellie en uiteindelijk tot de dood van zijn broer.

 

Shelamim – Vredeoffer

De Shelamim (wat verwant is aan het woord ‘shalom’) is een vrijwillig offer dat een gevoel van welzijn, lof en dankbaarheid uitdrukt, zoals toen Jakob en Laban een verdrag met elkaar sloten.   (Gen. 31:54).

Dit offer vertoont overeenkomsten met het brandoffer. Zowel mannelijke als vrouwelijke dieren mogen worden gebracht, maar vogels zijn uitgesloten. In tegenstelling tot het brandoffer wordt het dier niet volledig verbrand: alleen het vet en de ingewanden worden op het altaar gelegd.

Een deel van de Shelamim — zonder het bloed — wordt gegeten door de priesters en ook door degene die het offer heeft gebracht.

 

Chatat – Zondeoffer

De Chatat wordt gebracht voor onopzettelijke zonden (Lev. 4:1–4): overtredingen die ontstaan door onachtzaamheid of gebrek aan aandacht.

De ernst van de overtreding hangt samen met de positie van de overtreder. Wanneer de hogepriester of de gehele gemeenschap van Israël zondigt, weegt dit zwaarder omdat het het welzijn van het volk als geheel raakt. In dat geval is een jonge stier vereist, die buiten het kamp wordt verbrand.

Gaat het om een leider, zoals een koning, dan moet een bok worden gebracht.

Bij een individuele overtreder wordt een vrouwelijk schaap of een vrouwelijke geit geofferd. Dit offer wordt door de priesters binnen de grenzen van de tabernakel gegeten.

Daarnaast is de Chatat verplicht bij drie specifieke nalatigheidszonden: het achterhouden van een getuigenis, het onrein worden door vergetelheid, en het onopzettelijk breken van een eed.

 

Asham – Schuldoffer

Leviticus 6:5–7 beschrijft het schuldoffer (Asham) van een ram voor specifieke overtredingen: het onopzettelijk gebruiken van eigendom van het heiligdom voor persoonlijk gewin; het uitstellen van verzoening wanneer men twijfelt of men gezondigd heeft (of bij een onbekende zonde); en het liegen onder ede of het bedriegen van een ander, bijvoorbeeld bij een gevonden voorwerp, een borgsom of een lening.

Bij een Asham volstaat het niet om alleen een offer te brengen. De dader is verplicht tot herstel: restitutie van het onrechtmatig verkregene, vermeerderd met een vijfde van de waarde.

In overeenstemming met de Schrift werd Yeshua/Jezus niet alleen doorboord voor onze zonden en droeg Hij de doodstraf, maar werd Hij ook onze vergoeding—ons schuldoffer aan God voor die zonden.
“Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem ziek gemaakt. Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben,zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen; het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn" (Jes. 53:10).

Hoewel Jezus God heeft ‘vergoed’ voor onze zondigheid, blijft het onze morele verantwoordelijkheid om onze zonden te belijden en herstel te zoeken wanneer wij tegen onze naaste hebben gezondigd. Jezus leerde dat wij eerst degene moeten opzoeken die wij onrecht hebben aangedaan en het met hem of haar moeten goedmaken, vóórdat wij onze offergave naar het altaar brengen (Matt. 5:23–26; Lev. 5:16).

Schuldgevoel na een zonde is gezond: het wijst ons op de noodzaak tot herstel. Blijvende schuldgevoelens nadat de schade is vergoed en verzoening is gezocht, zijn dat niet. Wij mogen Jezus’ offer als het onze aannemen zodra wij onze schuld erkennen en rechtzetten. Waar de schuldoffers op het altaar van de tempel de zonde slechts bedekten, hebben Jezus’ dood en opstanding de zonde definitief weggenomen.

Zo getuigde Johannes bij de Jordaan: “Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt" (Joh. 1:29).

Daarom kunnen wij stellen dat Yeshua’s/Jezus’ offer zowel chatat (zonde) als asham (herstel) omvat. “… zo zal ook Christus, Die eenmaal geofferd is om de zonden van velen weg te dragen, voor de tweede keer zonder zonde gezien worden door hen die Hem verwachten tot zaligheid" (Hebr. 9:28).

“Daarna vroeg Jozef van Arimathea aan Pilatus om het lichaam van Yeshua/Jezus. … Met toestemming van Pilatus ging hij en nam het lichaam mee" (Joh. 19:38).

Op Goede Vrijdag staan gelovigen stil bij de gruwelijke dood die Jezus voor ons heeft ondergaan. Daarbij wordt ook gelezen hoe Jozef (Yosef) van Arimathea en Nicodemus (Nakdimon) zich tot Pilatus wendden om toestemming te vragen het lichaam van Yeshua/Jezus mee te nemen.

Omdat een Joodse begrafenis gewoonlijk binnen vierentwintig uur plaatsvindt, wilden zij Yeshua/Jezus zo spoedig mogelijk begraven, geheel in overeenstemming met de Joodse gebruiken.

Ze bereidden het lichaam van Yeshua/Jezus ook voor op de begrafenis met tahara, een rituele reiniging. Bij dit ritueel wordt het lichaam gereinigd, gedroogd en vervolgens in een takhrikhim gewikkeld , een eenvoudig wit lijkkleed (Mark. 15:46–47).

“En Nicodemus (die eerst 's nachts naar Jezus toe gekomen was) kwam ook en bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond. Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen doeken, met de specerijen, zoals het de gewoonte van de Joden is bij het begraven" (Joh. 19:3940).

De vermelding “een mengsel van mirre en aloë, ongeveer honderd pond” (Joh. 19:39) zegt veel over eer, liefde en betekenis.

Allereerst is de hoeveelheid opvallend. Honderd pond (ongeveer 30–33 kilo) is uitzonderlijk veel en past niet bij een eenvoudige begrafenis. Zo’n hoeveelheid werd normaal gesproken gebruikt bij koninklijke of uiterst eervolle begrafenissen. Daarmee eren Jozef van Arimathea en Nicodemus Yeshua/Jezus als koning, ook al is Hij zojuist als misdadiger gestorven.

Daarnaast hebben mirre en aloë een diepe symboliek. Mirre werd gebruikt bij balseming en komt elders in de Schrift voor in verband met lijden, dood én liefde. Aloë staat bekend om zijn geur en conserverende werking. Samen wijzen zij op zorgvuldige toewijding: het lichaam wordt met respect behandeld, niet haastig of achteloos.Opmerkelijk is ook wie dit doet. Nicodemus, die eerder ’s nachts bij Jezus kwam (Joh. 3), treedt nu openlijk naar voren. Zijn daad is een stil, maar krachtig getuigenis van geloof en moed.Tenslotte klinkt hier een diepe ironie en hoop door: terwijl mensen Yeshua/Jezus voorbereiden op de dood, staat Zijn opstanding al voor de deur. De specerijen zijn overvloedig, maar uiteindelijk niet nodig om ontbinding te voorkomen—het graf zal Hem niet houden.Zo wordt deze zin een getuigenis: Yeshua/Jezus wordt begraven met koninklijke eer, geliefd door mensen die Hem niet langer verborgen volgen, en toevertrouwd aan God, Die leven wekt uit de dood. Toen Yosef/Jozef en Nicodemus de mitswa/opdracht vervulden om het lichaam van Yeshua/Jezus voor de begrafenis gereed te maken, namen zij feitelijk de rol op zich van de Khevra Kadisha[1]: zij droegen zorg voor een eerbiedige voorbereiding en voor de bescherming van het lichaam tegen ontheiliging.

Door Yeshua/Jezus in linnen te wikkelen, handelden zij volgens het gebruik van takhrikhim—het toekennen van het passende begrafeniskleed aan de overledene—en bewezen Hem zo de laatste eer volgens Joodse traditie.

Het linnen (sindōn) waarin Yeshua/Jezus werd gewikkeld, verwijst waarschijnlijk naar meer dan alleen een begrafenisgebruik. Het draagt meerdere lagen van betekenis:

  1. Zuiverheid en heiligheid

Linnen wordt in de Schrift vaak verbonden met reinheid en heilige dienst. Priesters droegen linnen bij hun dienst in het heiligdom (Ex. 28:39–43; Ezech. 44:17–18). Het linnen rond Yeshua/Jezus benadrukt Zijn zuiverheid en Zijn rol als volmaakte hogepriester.

  1. Het offer zonder gebrek

Zoals offerdieren zonder gebrek moesten zijn, zo wordt Yeshua/Jezus in rein linnen gewikkeld—een teken dat Zijn offer volkomen en onbesmet is. Het linnen onderstreept dat Zijn dood geen schande is, maar een heilig offer.

  1. Koninklijke waardigheid

Fijn linnen wordt in de Bijbel ook geassocieerd met waardigheid en eer (Est. 8:15). Door Yeshua/Jezus in linnen te wikkelen, wordt Hij begraven met koninklijke eer.

  1. Verbinding met het verzoendeksel

Sommige uitleggers zien een parallel met het linnen dat in het heiligdom werd gebruikt om heilige zaken te bedekken. Zo wordt Yeshua/Jezus, het ware verzoeningsmiddel, in linnen toevertrouwd aan God.

Zo verwijst het linnen niet alleen naar takhrikhim—de Joodse begrafenisgewoonte—maar ook naar priesterlijke reinheid, koninklijke eer, offerdienst en opstandingshoop.

Zo werd Yeshua/Jezus begraven in het graf van een rijke man, ter vervulling van de messiaanse profetie in Jesaja 53:9: “Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in Zijn mond geweest is"

Belangrijker dan de manier waarop Yeshua/Jezus werd begraven, is dat Hij uit de dood is opgestaan en de dood heeft overwonnen. Halleluja!

Door Zijn overwinning zijn zowel geestelijke als lichamelijke dood overwonnen, zoals Rabbi Saulus van Tarsus (Paulus) benadrukt:

“Maar nu, Christus ís opgewekt uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn. Want omdat de dood er is door een mens, is ook de opstanding van de doden er door een Mens. Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden" (1 Kor. 15:20–22).

Dit is het goede nieuws dat we met alle Joodse mensen willen delen, zodat ze zeker kunnen zijn van hun plaats in de olam habah (de wereld die komen zal).

 

Reflectie

Als wij lezen over de voorschriften in Tzav, realiseren wij ons opnieuw hoe God ons oproept tot een leven van aandacht, toewijding en heiligheid. Net zoals de priesters Aäron en zijn zonen instructies kregen over het altaar en de offers, voelen wij de roep om ons eigen leven steeds weer aan God toe te wijden, met een hart dat helder brandt, ongehinderd door de zorgen van de wereld.

Wij herkennen dat de verschillende soorten offers — brandoffer, graanoffer, vredeoffer, zondeoffer en schuldoffer — meer zijn dan rituelen. Ze nodigen ons uit ons innerlijk te onderzoeken: geven wij van het beste deel van onszelf, zoals Abel, of brengen wij slechts iets oppervlakkigs, zoals Kaïn? Voelen wij ons geroepen verantwoordelijkheid te nemen voor onze fouten en zoeken wij actief herstel, zoals God ons leert door de voorbeelden van Chatat en Asham?

Wij zien in Yeshua/Jezus het ultieme voorbeeld: Zijn leven en offer tonen ons dat echte verzoening en herstel mogelijk zijn. Terwijl Hij door de dood ging, werd ons de weg naar opstanding en eeuwig leven geopend. Wij beseffen dat schuldgevoel gezond is wanneer het ons tot herstel leidt, maar dat wij onze vrede mogen vinden in het volbrachte werk van Jezus, die onze zonden heeft weggenomen en ons leven heeft vernieuwd.

Wanneer wij nadenken over Zijn begrafenis, de zorg van Jozef en Nicodemus, het linnen en de specerijen, voelen wij de eer en toewijding waarmee wij ook zelf onze daden en relaties met anderen zouden mogen leven: met respect, zorg en bewustzijn van Gods aanwezigheid. Wij worden uitgenodigd onze eigen “takhrikhim” te zijn, ons leven in heiligheid en oprechte dienst te wikkelen, zodat onze daden getuigen van Gods liefde en waarheid.

Uiteindelijk nodigt Tzav ons uit tot actie: laten wij ons leven brandend houden voor God, laten wij streven naar oprechte offers van liefde, vergeving en herstel, en laten wij ons hart openstellen voor de overwinning die Yeshua/Jezus ons bracht. Zo kunnen wij met vertrouwen en vreugde uitzien naar de olam habah, de wereld die komen zal, wetende dat leven en licht sterker zijn dan dood en duisternis.

 

[1]     Khevra Kadisha betekent ‘heilige gemeenschap’ en is de joodse begrafenisvereniging die met uiterste eerbied een overledene voorbereidt op de begrafenis. Ze verzorgen reiniging, wikkeling in linnen (takhrikhim) en bescherming van het lichaam, volgens de traditie van chesed shel emet (ware, onbaatzuchtige liefde).