Lezingen:
Exodus 35:1–40:38; 1 Koningen 7:51–8:21; Johannes 6:1–71
In de laatste parasjot van het boek Exodus – Terumah, Tetzaveh en een deel van Ki Tisa – gaf God Mozes gedetailleerde instructies voor de bouw van de Mishkan, de tabernakel. Daarin zou Hij te midden van Israël wonen. Ook werden aanwijzingen gegeven voor de heilige voorwerpen en voor de gewaden van de priesters.
In Parasha Vayakhel begint de uitvoering van deze instructies. Wat eerder door God was bevolen, wordt nu daadwerkelijk gerealiseerd. Opvallend is dat de formulering verandert van “zij zullen maken” naar “zij maakten”. Het plan van God wordt werkelijkheid.
De sabbat vóór het werk
Voordat het volk begint met bouwen, herinnert Mozes hen eerst aan de sabbat:
“Zes dagen mag er gewerkt worden, maar de zevende dag moet voor jullie een heilige dag zijn, een sabbatsrust voor de HEER.”
(Exodus 35:2)
Zelfs voor het heilige werk van de tabernakel mocht de sabbat niet worden geschonden. Daarmee wordt duidelijk dat gehoorzaamheid aan God belangrijker is dan activiteit, hoe goed die activiteit ook lijkt. Het werk voor God moet altijd plaatsvinden binnen de grenzen die Hij zelf heeft gesteld.
Een werk van de gemeenschap
De bouw van de tabernakel was geen project van Mozes alleen. Het was een taak voor het hele volk. Iedereen droeg bij wat hij of zij kon missen. Sommigen brachten goud, zilver of kostbare stoffen. Anderen gebruikten hun vakmanschap om het heiligdom en de priesterlijke gewaden te maken.
Zo ontstond een bijzonder samenspel van gaven en talenten. Mannen en vrouwen, ambachtslieden en leiders: ieder droeg bij aan het doel dat God had gegeven.
Ook vandaag geldt dat niemand het werk van God alleen kan doen. Het opbouwen van Zijn koninkrijk is een gezamenlijke taak. Sommigen geven van hun middelen, anderen van hun tijd of talenten. Vaak is het een combinatie van beide.
Vrijgevig geven
De Israëlieten gaven met grote bereidheid. Hun enthousiasme was zo groot dat er uiteindelijk meer dan genoeg materiaal was voor de bouw van de tabernakel.
“Het volk brengt meer dan genoeg om het werk te doen dat de HEER geboden heeft.”
(Exodus 36:5)
Mozes moest het volk zelfs laten ophouden met geven. Hun vrijgevigheid laat zien hoe sterk hun verlangen was om een plaats te bouwen waar God in hun midden kon wonen.
De Bijbel benadrukt dat God niet kijkt naar de grootte van een gift, maar naar de houding van het hart. Jezus wees bijvoorbeeld op de arme weduwe die slechts twee kleine muntjes gaf, maar toch meer gaf dan de rijken. Zij gaf namelijk vanuit haar armoede alles wat zij had.
Zo telt voor God niet alleen wat we geven, maar vooral hoe we geven.
Gaven en talenten
Naast materiële gaven bracht het volk ook hun vaardigheden in. Sommige mensen ontvingen van God bijzondere wijsheid en vakmanschap voor het werk aan de tabernakel. Een bekend voorbeeld is Bezaleël, die door God was toegerust met inzicht en artistieke bekwaamheid.
Dit laat zien dat God mensen verschillende gaven geeft. Deze gaven zijn bedoeld om tot Zijn eer te worden gebruikt. Zoals de tabernakel gebouwd werd volgens Gods aanwijzingen, zo mogen ook wij zoeken naar Zijn leiding in het werk dat Hij ons toevertrouwt.
Volgens Gods plan
In het tweede gedeelte, Pekudei, wordt de bouw van de tabernakel voltooid. De Bijbel benadrukt dat het volk alles heeft gedaan zoals de HEER het had geboden.
“Zo werd de tabernakel voltooid. De Israëlieten hadden alles gedaan zoals de HEER Mozes had opgedragen.” (Exodus 39:32)
Mozes volgde daarbij nauwkeurig het hemelse voorbeeld dat hem op de berg was getoond. Het werk werd niet uitgevoerd volgens menselijke ideeën, maar volgens Gods plan.
Ook voor ons geldt dat het werk dat wij doen, in overeenstemming moet zijn met Gods wil. Dat vraagt om een levende relatie met Hem. Door gebed en gehoorzaamheid leren we Zijn stem te verstaan en Zijn leiding te volgen.
Jezus zelf gaf daarin het volmaakte voorbeeld. Hij zei dat Hij niets uit Zichzelf deed, maar alleen wat Hij de Vader zag doen. Zijn leven stond volledig in het teken van het vervullen van Gods wil.
De zegen van het voltooien
Wanneer het werk aan de tabernakel klaar is, inspecteert Mozes alles. Hij ziet dat het volk precies heeft gedaan wat God had bevolen, en hij zegent hen.
“Mozes zag al het werk en zie, zij hadden het gedaan zoals de HEER had geboden. Toen zegende Mozes hen.”
(Exodus 39:43)
Opvallend is dat de zegen niet kwam bij het begin van het werk, maar bij de voltooiing ervan. Beginnen met een taak is vaak eenvoudig; enthousiasme kan ons ver brengen. Maar het vraagt doorzettingsvermogen en trouw om een opdracht ook werkelijk af te ronden.
Toch ligt juist daarin de zegen: in het volbrengen van het werk dat God ons heeft toevertrouwd.
Het werk afmaken
Door de geschiedenis heen zien we hetzelfde patroon. Mozes voltooide de tabernakel, Salomo voltooide de tempel, en later voltooiden de teruggekeerde ballingen uit Babylon de herbouw van die tempel.
Ook wij worden opgeroepen om het werk dat God ons geeft niet alleen te beginnen, maar ook af te maken. De apostel Paulus moedigde de gelovigen aan om hun bereidheid om te geven ook daadwerkelijk om te zetten in daden en het begonnen werk te voltooien.
Het afronden van ons werk betekent niet dat alles perfect moet zijn of dat er niets meer te doen overblijft. Het betekent dat wij trouw zijn geweest aan de taak die God ons persoonlijk heeft gegeven.
De heerlijkheid van God
Toen de tabernakel uiteindelijk voltooid was, gebeurde er iets bijzonders: "Toen bedekte de wolk de tent van samenkomst en de heerlijkheid van de HEER vervulde de tabernakel.” (Exodus 40:34)
Gods aanwezigheid kwam wonen in het heiligdom dat het volk had gebouwd. Het was het teken dat hun werk niet tevergeefs was geweest. Ook Yeshua/Jezus sprak over het voltooien van het werk dat de Vader Hem had gegeven: “Ik heb U op aarde verheerlijkt door het werk te voltooien dat U Mij hebt opgedragen.” (Johannes 17:4)
Dat blijft ook voor gelovigen vandaag een belangrijke les. God roept ons om trouw te zijn in de taken die Hij ons geeft. Wanneer we die weg gaan, mogen we uitzien naar Zijn zegen. En uiteindelijk hopen we, net als de apostel Paulus, te kunnen zeggen: “Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de wedloop volbracht, ik heb het geloof behouden.” (2 Timoteüs 4:7)