Inleiding
In de Bijbel vinden we verschillende dagen die de HEERE aan Israël heeft gegeven als gezette tijden. Eén daarvan valt op de eerste dag van de zevende maand. In Leviticus 23 wordt deze dag beschreven als een dag van rust, een heilige samenkomst en een zichron teru’ah, een gedachtenis van teru’ah (Lev. 23:23-25). In Numeri 29 wordt dezelfde dag Jom Teru’ah genoemd: de dag van de teru’ah (Num. 29:1).
In het Nederlands wordt deze dag vaak het Bazuinfeest of het Feest van de Bazuinen genoemd. Die benaming is begrijpelijk, maar de Bijbel zelf noemt de dag Jom Teru’ah. Daarom is het belangrijk om eerst te luisteren naar wat de Schrift werkelijk zegt. Wat heeft God met deze dag aan Israël gegeven? Wat betekent het Hebreeuwse woord teru’ah? Welke plaats heeft de sjofar? En waarom staat deze dag aan het begin van de zevende maand?
Maar uiteindelijk gaat het om meer dan een kalenderdag. De vraag is wat deze dag ons vandaag kan leren wanneer wij hem lezen in het licht van het geheel van Gods Woord en uiteindelijk in het licht van de Messias.
Jom Teru’ah: een gezette tijd van de HEERE
De naam Jom Teru’ah bestaat uit twee Hebreeuwse woorden. Jom betekent ‘dag’ en teru’ah heeft betrekking op een krachtig geluid, een geschal, een geroep of een gejuich. Leviticus 23:24 spreekt over een zichron teru’ah, een gedachtenis van teru’ah.
De Bijbel geeft deze dag een duidelijke plaats: de eerste dag van de zevende maand. Het volk moest rusten, er moest een heilige samenkomst zijn en er moest teru’ah klinken. Er mocht geen gewoon werk worden verricht en er werden offers gebracht. Numeri 29:1-6 geeft daarvoor aanvullende voorschriften.
Daarmee is Jom Teru’ah in de eerste plaats heel concreet: het was een door de HEERE ingestelde dag voor Israël.
De Schrift geeft echter opvallend weinig uitleg over de precieze betekenis van de teru’ah op deze dag. Dat is belangrijk. Wanneer de Bijbel iets niet rechtstreeks zegt, moeten wij voorzichtig zijn om er niet alsnog een betekenis in te leggen alsof die vaststaat.
Het woord teru’ah kan in verschillende Bijbelse contexten betrekking hebben op een luid geluid, een roep, een gejuich, een alarm of een geluid dat verbonden is met koningschap en Gods handelen. De context bepaalt de betekenis.
Ook moeten wij onderscheid maken tussen teru’ah en de sjofar. De sjofar is een instrument dat in de Bijbel op verschillende momenten wordt gebruikt. Het woord sjofar staat echter niet in Leviticus 23:24. De verbinding tussen Jom Teru’ah en het blazen op de sjofar is in de verdere Joodse traditie sterk ontwikkeld, maar we moeten die latere traditie niet zonder meer teruglezen in de oorspronkelijke tekst.
Dat betekent niet dat de sjofar onbelangrijk is. Integendeel. De Bijbel kent aan het geluid van de bazuin verschillende functies toe. Het kon dienen om het volk bijeen te roepen, om het vertrek van het leger aan te kondigen, in oorlogstijd te waarschuwen en bij feestelijke gebeurtenissen te klinken. Ook kon het geluid verbonden zijn met vreugde en koningschap.
Daarom kan teru’ah ons herinneren aan Gods handelen dat niet verborgen blijft. Zijn stem roept, verzamelt, waarschuwt en kondigt aan.
De zevende maand
De plaats van Jom Teru’ah binnen de zevende maand is bijzonder. Op de eerste dag valt Jom Teru’ah. Op de tiende dag volgt Jom Kippur, de Grote Verzoendag. Op de vijftiende dag begint het Loofhuttenfeest, Soekot (Lev. 23:23-34).
Numeri 29 bevestigt deze volgorde.
We zien dus een bijzondere opeenvolging: eerst Jom Teru’ah, vervolgens de Verzoendag en daarna het Loofhuttenfeest. Toch moeten we voorzichtig blijven. Het feit dat de dagen dicht bij elkaar liggen, betekent nog niet dat de Bijbel zegt dat de ene dag rechtstreeks naar de andere verwijst.
Wel mogen wij de teksten naast elkaar leggen en onderzoeken welke Bijbelse lijnen zichtbaar worden.
Op Jom Kippur moest Israël zich verootmoedigen voor het aangezicht van de HEERE. Het was een dag van rust, verootmoediging en verzoening. Het doel van de dag was dat het volk gereinigd zou worden van zijn zonden.
Wanneer wij dit in het licht van het Nieuwe Testament lezen, wordt de betekenis van de verzoening in de Messias zichtbaar. De Hebreeënbrief zegt dat Christus als Hogepriester is binnengegaan, niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met Zijn eigen bloed, en dat Hij een eeuwige verlossing heeft verworven (Hebr. 9:11-12).
Daarmee zien wij hoe de oudtestamentische offerdienst vooruitwijst naar iets dat groter is dan de jaarlijkse ceremonie. de Messias is niet opnieuw een offer dat ieder jaar moet worden gebracht. Hij heeft het werk volbracht.
Ook het Loofhuttenfeest krijgt binnen de Bijbel een eigen plaats. Het herinnert aan Gods trouw, Zijn zorg voor Zijn volk en Zijn aanwezigheid te midden van Israël. Wanneer we deze dingen in het licht van Christus lezen, zien we steeds opnieuw lijnen die ons naar Gods grote heilswerk brengen.
Maar ook hier geldt: wij mogen de lijnen zien zonder ze groter te maken dan de Schrift zelf doet.
Een schaduw van de toekomende dingen
Hier komen we bij een belangrijk gedeelte van Paulus: Kolossenzen 2:16-17. Paulus schrijft daar over feestdagen, nieuwe maan en sabbatten en noemt deze dingen een schaduw van de toekomstige dingen. Vervolgens richt hij de aandacht op de Messias.
Dat is een belangrijk uitgangspunt voor het verstaan van de Bijbelse gezette tijden.
Paulus geeft ons echter geen uitgewerkt profetisch schema waarin iedere feestdag aan één toekomstige gebeurtenis wordt gekoppeld. De Bijbel zegt bijvoorbeeld nergens dat Jom Teru’ah de exacte datum van de wederkomst van Christus is. Evenmin mogen wij vanuit de Bijbelse kalender berekenen wanneer toekomstige gebeurtenissen zullen plaatsvinden.
Wat Paulus ons wél geeft, is het principe dat deze gezette tijden een vooruitwijzende betekenis kunnen hebben.
Een schaduw is niet het voorwerp zelf. Een schaduw vertelt ons dat er iets is waarvan de schaduw afkomstig is. Zij kan onze aandacht richten op iets dat groter is dan zijzelf.
Zo mogen wij naar de gezette tijden kijken.
Wij hoeven niet terug te keren naar de schaduw alsof de Messias nog niet gekomen is. Maar wij mogen wel leren van wat de schaduw ons laat zien.
Daarbij is ook de precieze formulering van Kolossenzen 2 belangrijk. Paulus gebruikt voor ‘lichaam’ het Griekse woord sōma. Dat woord betekent letterlijk ‘lichaam’ en wordt door Paulus ook gebruikt voor het lichaam van Christus, de gemeente (Rom. 12:5; 1 Kor. 12:27; Ef. 1:23; Kol. 1:18).
Daarom moeten wij voorzichtig zijn om de tekst eenvoudigweg te veranderen in: ‘de werkelijkheid is Christus’. Dat is een mogelijke uitleg, maar het is niet letterlijk wat er staat.
De kern blijft echter duidelijk: de gezette tijden mogen niet los van de Messias worden gezien. Zij wijzen verder dan zichzelf.
Van Pesach naar de zevende maand
Wanneer we de verschillende gezette tijden samen bekijken, ontstaat een indrukwekkende beweging.
Pesach herinnert aan bevrijding door het bloed van het lam. In het Nieuwe Testament wordt de Messias aangewezen als het Paaslam. Paulus schrijft: ‘Want ook ons Paaslam is voor ons geslacht: Christus’ (1 Kor. 5:7).
Daarna volgt het Feest van de Ongezuurde Broden. Het oude moet worden weggedaan. Paulus verbindt dit met een leven in oprechtheid en waarheid.
Het Feest van de Eerstelingen richt de aandacht op de eerste opbrengst van de oogst. In 1 Korinthe 15 noemt Paulus Christus de Eersteling van hen die ontslapen zijn. Zijn opstanding staat aan het begin van de grote oogst van de opstanding.
Dan volgt Sjavoeot, het Wekenfeest. In Handelingen 2 vindt op de dag van het Wekenfeest de uitstorting van de Heilige Geest plaats. Wat in de Torah verbonden is met de oogst, krijgt in het Nieuwe Testament ook een geestelijke dimensie.
Daarna komen we bij de zevende maand.
Jom Teru’ah staat daar aan het begin. Vervolgens komen Jom Kippur en Soekot. Daarna is er nog de achtste dag, Sjemini Atseret.
Deze opeenvolging is opmerkelijk. Toch hoeft niet iedere dag één specifieke toekomstige gebeurtenis voor te stellen. De waarde ligt niet in het maken van een sluitend profetisch schema, maar in het herkennen van de grote lijnen van Gods handelen.
De kalender vertelt ons niet wanneer de Messias terugkomt. De kalender kan ons wel leren om uit te zien naar wat God zal doen.
Van Jom Teru’ah naar verwachting
Jom Teru’ah wordt gekenmerkt door teru’ah: een geluid, een geroep, een aankondiging. Het is een geluid dat de aandacht trekt en dat in verschillende Bijbelse verbanden kan spreken van vreugde, waarschuwing, verzameling of het openbaar worden van Gods handelen. Ook in het Nieuwe Testament komen geluid en bazuin voor wanneer gesproken wordt over toekomstige gebeurtenissen. Jeshua spreekt over een grote bazuin wanneer de engelen de uitverkorenen bijeenbrengen (Matt. 24:31), en Paulus spreekt over de ‘laatste bazuin’ in verband met de opstanding en de verandering van de gelovigen (1 Kor. 15:51-52).
Dat betekent niet dat iedere bazuin die in het Nieuwe Testament wordt genoemd automatisch naar Jom Teru’ah verwijst. Evenmin kunnen wij iedere toekomstige gebeurtenis met bazuingeschal rechtstreeks verbinden aan deze ene Bijbelse feestdag. De Schrift geeft ons daarvoor geen grond. Toch mogen wij de verschillende gegevens wel naast elkaar leggen en luisteren naar de lijn die erdoorheen zichtbaar wordt. De Bijbel laat ons immers zien dat Gods handelen uiteindelijk niet verborgen zal blijven. Er komt een moment waarop de Messias als Koning zal verschijnen, waarop de doden zullen worden opgewekt en waarop Zijn overwinning voor iedereen zichtbaar zal worden.
Daarom ligt de betekenis van Jom Teru’ah voor ons niet in een verborgen code waarmee wij de datum van Christus’ wederkomst zouden kunnen berekenen. De teru’ah nodigt ons juist uit om wakker en opmerkzaam te leven, met ons hart gericht op God en met verwachting van wat Hij zal doen. Het geluid van de bazuin trekt onze aandacht naar Gods handelen en herinnert ons eraan dat Zijn Koninkrijk geen menselijke gedachte of verre belofte is, maar werkelijkheid zal worden. Zo wordt Jom Teru’ah niet een middel om de toekomst uit te rekenen, maar een uitnodiging om in verwachting te leven.
De boodschap van deze dag
Wat betekent dit alles voor ons? De gezette tijden werden door de HEERE aan Israël gegeven (Lev. 23:2). Paulus schrijftt dat gelovigen elkaar niet moeten veroordelen met betrekking tot een feestdag, nieuwe maan of sabbatten (Kol. 2:16).
Daarmee zijn de gezette tijden een boodschap waarnaar wij mogen luisteren. Wij hoeven Jom Teru’ah niet te onderhouden alsof onze verhouding tot God ervan afhangt. Tegelijkertijd kunnen wij ons wel laten bepalen door wat deze dag ons vanuit de Schrift laat zien. De teru’ah brengt ons bij het handelen van God, de zevende maand verbindt verschillende Bijbelse thema’s met elkaar en de plaats van Jom Teru’ah binnen de gezette tijden kan ons opnieuw laten nadenken over verzoening, heiligheid, Gods trouw en Zijn aanwezigheid.
Wanneer wij deze lijnen volgen, komen wij uiteindelijk niet uit bij de kalender zelf, maar bij de Messias. Dat is ook de betekenis van het beeld van de ‘schaduw’ dat Paulus gebruikt in Kolossenzen 2:17. Een schaduw heeft betekenis omdat zij iets zichtbaar maakt van datgene wat haar veroorzaakt. Zij trekt onze aandacht, maar zij is niet de werkelijkheid zelf. Zo mogen wij ook naar de gezette tijden kijken om te ontdekken hoe de Schrift ons steeds opnieuw bij Hem brengt.
Niet terug naar de kalender, maar vooruit naar de Messias
Misschien ligt daarin wel de belangrijkste les die Jom Teru’ah ons vandaag kan meegeven. Wij worden niet teruggestuurd naar een kalender om daarin onze zekerheid of onze toekomst te zoeken. De kalender kan ons wel helpen om bepaalde Bijbelse lijnen te herkennen, maar uiteindelijk worden wij vooruitgericht naar de Messias. Jom Teru’ah vertelt ons niet op welke datum Christus zal komen en geeft ons geen profetisch schema waarmee wij de toekomst kunnen berekenen. De dag leert ons veeleer om te leven met verwachting, omdat God Zijn beloften vervult en omdat de geschiedenis uiteindelijk uitloopt op de openbaring van Zijn Koninkrijk.
Daarom is het niet het geluid van de sjofar waarop onze hoop rust, maar Christus naar Wie dat geluid ons in deze overdenking mag doen uitzien. Ook de kalender is niet onze toekomst; onze toekomst ligt in Hem die gekomen is, die leeft en die opnieuw zal komen. En de schaduw waarover Paulus spreekt, is evenmin het eindpunt. Zij vraagt onze aandacht voor de werkelijkheid waarnaar zij verwijst. Wanneer wij zo naar Jom Teru’ah kijken, hoeft er geen behoefte te ontstaan om verborgen betekenissen te zoeken of een profetische berekening te maken. Wij mogen eenvoudig luisteren naar de boodschap die de Schrift ons geeft en ons hart richten op Hem die komen zal.
Jeshua roept ons op om waakzaam te zijn, en Paulus spreekt over de komst van de Heere niet als een boodschap die Gods kinderen in angst moet brengen, maar als een verwachting die troost geeft: ‘Zo dan, troost elkaar met deze woorden’ (1 Thess. 4:18). De toekomst van God is voor wie in Christus is daarom geen reden om bevreesd te leven. Zij is een hoopvolle verwachting. Er komt een dag waarop de Messias zal verschijnen, waarop de doden zullen worden opgewekt, waarop Zijn koningschap voor iedereen zichtbaar zal zijn en waarop wij voor altijd bij Hem zullen zijn.
Daarmee brengt Jom Teru’ah ons uiteindelijk verder dan de dag zelf. Het geluid van de teru’ah mag onze aandacht richten op Gods handelen, en dat handelen voert ons naar de grote werkelijkheid van Christus. De Schrift leert ons niet om de toekomst te beheersen door haar te berekenen, maar om haar tegemoet te leven met geloof, waakzaamheid en verwachting. De schaduw mag ons nieuwsgierig maken, maar zij wil ons uiteindelijk verder brengen, totdat onze blik niet meer blijft rusten op de schaduw, maar op Hem naar Wie zij verwijst.
Aan het einde van de Openbaring horen wij de woorden van Jeshua: ‘Ja, Ik kom spoedig.’ En Johannes antwoordt daarop: ‘Amen. Ja, kom, Heere Jezus!’ (Openb. 22:20). In die woorden ligt misschien wel de diepste verwachting die wij uit Jom Teru’ah mogen meenemen. Niet het verlangen om een datum te kennen, maar het verlangen naar Hem die komt. Niet het zoeken naar een verborgen schema, maar het leven in vertrouwen op Gods belofte. Niet het blijven staan bij de schaduw, maar het vooruitzien naar Christus, de Messias en de komende Koning.
Zo krijgt Jom Teru’ah voor ons zijn plaats. Niet als een gebod waaraan onze verhouding tot God verbonden is, en ook niet als een kalenderdag waarmee wij Zijn toekomst kunnen berekenen, maar als een Bijbelse herinnering die onze aandacht mag richten op Gods handelen en ons hart mag vullen met verwachting. De teru’ah klinkt als een roep die onze aandacht trekt, maar achter die roep zien wij uiteindelijk Hem naar Wie de Schrift ons steeds verder leidt: Jezus Christus, onze Heere, onze hoop en de komende Koning.
Jom Teru’ah en de Joodse traditie
In de loop van de geschiedenis heeft Jom Teru’ah binnen het Jodendom een steeds rijkere betekenis gekregen. De dag werd bekend als Rosj Hasjana, het Joodse nieuwjaar. Daarbij kwam de sjofar steeds centraler te staan. Het geluid van de sjofar werd verstaan als een oproep om wakker te worden, het eigen leven te onderzoeken en terug te keren tot God. Zo kreeg Jom Teru’ah binnen de Joodse traditie steeds meer het karakter van een dag van bezinning, Gods koningschap en verwachting.
Ook ontstond de traditie van de Tien Dagen van Inkeer, de Aseret Yemei Teshuvah. Deze periode loopt van Rosj Hasjana tot en met Jom Kippur, de Grote Verzoendag. Het zijn dagen waarin de mens wordt opgeroepen tot teshuvah: om zich te bezinnen op zijn leven, zonden onder ogen te zien, vergeving te zoeken en zich opnieuw tot God te wenden. De gedachte daarachter is nauw verbonden met de plaats die Gods oordeel en Gods barmhartigheid in de Joodse traditie rond deze dagen hebben gekregen.
De Bijbel noemt deze tien dagen echter niet als een afzonderlijk ingestelde periode van inkeer. Wel vinden we in Leviticus 23 de beide dagen waartussen deze periode ligt. Jom Teru’ah valt op de eerste dag van de zevende maand en Jom Kippur op de tiende dag van diezelfde maand. De tien dagen zijn dus als periode in de kalender herkenbaar, maar de Schrift geeft daaraan niet de naam Tien Dagen van Inkeer en beschrijft ze ook niet als een afzonderlijke geestelijke voorbereidingstijd tussen beide feesten. Dat is een betekenis die zich later binnen het Jodendom heeft ontwikkeld.
Dat onderscheid is belangrijk. De Bijbel geeft ons de instelling van Jom Teru’ah als een gezette tijd van de HEERE: de eerste dag van de zevende maand, een dag van rust, een heilige samenkomst en een zichron teru’ah, een gedachtenis van teru’ah. De benaming Rosj Hasjana, de uitgebreide betekenis van Gods koningschap en oordeel, de vaste sjofartradities en de Tien Dagen van Inkeer behoren tot de verdere ontwikkeling van de Joodse traditie rond deze Bijbelse dagen.
Dat betekent niet dat deze tradities geen waarde hebben. Integendeel, ze geven ons een belangrijk historisch beeld van de manier waarop latere generaties binnen het Jodendom over Jom Teru’ah en Jom Kippur zijn gaan nadenken en deze dagen zijn gaan vieren. De gedachte van teshuvah, het terugkeren tot God, sluit bovendien aan bij een Bijbels thema dat veel breder is dan alleen deze feestdagen. Maar we moeten wel zorgvuldig blijven onderscheiden wat de Schrift zelf zegt en wat later vanuit de Joodse traditie aan deze dagen is verbonden.
Juist wanneer wij Jom Teru’ah bestuderen in het licht van de komende dingen, is dat onderscheid van belang. Wij mogen de Joodse traditie kennen en waarderen als historische achtergrond. Zij kan ons helpen begrijpen welke gedachten en verwachtingen zich in de loop van de geschiedenis rond deze dag hebben ontwikkeld. Maar onze uitleg van de toekomstige werkelijkheid mag uiteindelijk niet worden bepaald door latere tradities. Ons uitgangspunt blijft de Schrift, en het middelpunt daarvan is de Messias.
Zo hoeven wij Jom Teru’ah niet terug te brengen tot een kalender waarop verborgen gebeurtenissen moeten worden berekend. De dag mag ons juist leren luisteren naar de teru’ah: het geluid dat de aandacht richt op God, op Zijn handelen en op Zijn koningschap. De traditie van de Tien Dagen van Inkeer kan ons daarbij iets laten zien van de ernst van het leven voor God, maar uiteindelijk ligt onze hoop niet in het nauwkeurig onderhouden van een bepaalde periode. Onze hoop ligt in Hem naar Wie de Schrift ons steeds weer wijst: de komende Koning.