Lezingen: Deuteronomium 26:1–29:9; Jesaja 60:1–22; Lukas 23:26–56
“En wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zó zijn.”
Deuteronomium 26:1
Wanneer God ons laat binnengaan
Parasha Ki Tavo betekent: “Wanneer u binnengaat”. Israël staat op de grens van het beloofde land. Na veertig jaren van woestijn, onzekerheid en afhankelijkheid komt het moment waarop Gods belofte werkelijkheid wordt.
Maar juist wanneer het volk het land binnengaat, krijgt het een belangrijke opdracht: vergeet niet Wie u hier gebracht heeft.
De eerste opbrengst van het land moet aan de HEERE worden gegeven. De bikkurim, de eerstelingen, zijn een zichtbaar teken van dankbaarheid. Het volk belijdt daarmee dat het land, de oogst en alles wat het bezit uiteindelijk van God afkomstig zijn.
Dat is ook voor ons een waardevolle les. Wanneer God ons door een moeilijke periode heen heeft gedragen en er weer ruimte komt in ons leven, is het gemakkelijk om vooral naar de toekomst te kijken. Ki Tavo nodigt ons uit om eerst achterom te kijken en te zeggen: “Heere, U bent het Die mij hier heeft gebracht.”
Van de woestijn naar het beloofde land
De woestijn was voor Israël een plaats van beproeving, maar ook een plaats waar het volk God leerde kennen. Er was gebrek, onzekerheid en afhankelijkheid. Toch was God daar aanwezig.
Ook wij kennen misschien zulke woestijnperioden. Tijden waarin we niet weten hoe het verder moet. Momenten waarop gebed meer een roep om hulp is dan een danklied. Soms vragen we ons af waarom God een bepaalde weg met ons gaat.
Achteraf kunnen we soms ontdekken dat juist die moeilijke periode ons iets heeft geleerd wat we anders nooit hadden geleerd.
Het Hebreeuwse woord Ivri, Hebreeër, hangt samen met avar, “oversteken” of “overgaan”. Dat beeld spreekt ook geestelijk tot ons. Het leven met God is steeds weer een weg van overgaan: van angst naar vertrouwen, van gebondenheid naar vrijheid, van oude patronen naar nieuw leven.
Misschien bevindt u zich vandaag nog midden in een woestijn. Dan mag u weten: de woestijn is niet noodzakelijk het einde van de weg. God kan ook daar bezig zijn u voor te bereiden op wat voor u ligt.
Een zegen zijn
Wanneer Israël het land binnengaat, wordt dankbaarheid heel concreet. De opbrengst is niet alleen voor henzelf. De Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe mogen delen in wat God heeft gegeven.
Dat maakt duidelijk dat Gods zegen nooit alleen bedoeld is om bij ons te blijven. Wie van God ontvangt, wordt geroepen om ook uit te delen.
Dat geldt voor ons bezit, maar ook voor onze tijd, aandacht, liefde en mogelijkheden. Soms kunnen we denken dat we eerst overvloedig moeten hebben voordat we iets kunnen geven. Maar Gods Woord leert ons anders: een klein gebaar van liefde kan voor een ander van grote betekenis zijn.
In het geven mogen we iets weerspiegelen van Gods eigen hart.
Daarom is vrijgevigheid niet alleen een financiële kwestie. Het gaat dieper. Het gaat om de vraag: houd ik alles voor mezelf, of vertrouw ik erop dat God ook voor mij zal zorgen wanneer ik deel met een ander?
De Bijbel zegt:
“Wie zich ontfermt over de arme, leent uit aan de HEERE. Hij zal hem zijn weldaad vergelden.”
Spreuken 19:17
Wie een zegen wil zijn, ontdekt dat hij zelf al gezegend is.
Gods kostbare bezit
Een van de mooiste woorden uit deze parasha vinden we in Deuteronomium 26:18:
“En de HEERE heeft u heden doen verklaren dat u voor Hem een volk zult zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is.”
Het Hebreeuwse woord voor zo'n bijzonder en kostbaar bezit is segulah. Het gaat om iets dat iemand bijzonder dierbaar is.
Wat een troostrijke gedachte. Onze waarde wordt uiteindelijk niet bepaald door wat wij presteren, hoe wij eruitzien of wat anderen van ons vinden. Onze diepste waarde ligt in het feit dat God ons kent en ons Zijn kostbare bezit noemt.
Toch kunnen wij dat gemakkelijk vergeten.
Misschien zijn er mensen die in hun leven te horen hebben gekregen dat ze niet goed genoeg waren. Misschien hebben woorden van ouders, partners, vrienden of anderen diepe wonden achtergelaten. Soms dragen mensen jarenlang het gevoel met zich mee dat ze weinig waard zijn.
Maar Gods blik op ons is anders.
Paulus schrijft dat wij in Christus een nieuwe schepping zijn:
“Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden.”
2 Korinthe 5:17
Onze waarde wordt niet groter wanneer wij beter presteren en niet kleiner wanneer wij struikelen. Dat betekent niet dat zonde of verkeerde keuzes er niet toe doen. Ze doen er wel degelijk toe. Maar onze fouten hebben niet het laatste woord over wie wij zijn.
Gods genade heeft het laatste woord.
Vrijgekocht van de vloek
Ki Tavo bevat naast de zegeningen ook ernstige waarschuwingen. De lange opsomming van gevolgen van ongehoorzaamheid maakt duidelijk hoe ernstig het verbond met God wordt genomen.
Maar voor wie in Yeshua/Jezus gelooft, klinkt hier ook een geweldige boodschap van hoop. Paulus schrijft:
“Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden.”
Galaten 3:13
Aan het kruis droeg Yeshua/Jezus wat wij zelf niet konden dragen. Hij nam de schuld en de vloek op Zich, zodat wij mogen leven vanuit genade en verzoening.
Dat betekent niet dat gehoorzaamheid er niet meer toe doet. Integendeel. Wie Gods genade heeft leren kennen, wil juist leren leven vanuit liefde voor Hem. Niet om Gods liefde te verdienen, maar omdat die liefde ons al is geschonken.
Daarom hoeven wij niet voortdurend te leven onder veroordeling. Wanneer wij vallen, mogen wij opstaan. Wanneer wij afdwalen, mogen wij terugkeren. Wanneer wij onszelf niet meer zien als waardevol, mogen wij opnieuw luisteren naar wat God over ons zegt.
Reflectie
Parasha Ki Tavo stelt ons uiteindelijk enkele eenvoudige, maar diepe vragen.
Kunnen wij God danken voor de weg die achter ons ligt, ook wanneer die weg door de woestijn ging? Durven wij erop te vertrouwen dat Hij ook de toekomst in Zijn hand houdt?
En misschien nog belangrijker: hoe kijken wij naar onszelf?
Onze waarde wordt niet bepaald door leeftijd, uiterlijk, gezondheid, bezit, prestaties of de waardering van andere mensen. In de Messias mogen wij weten dat wij door God gekend, geliefd en kostbaar zijn.
Vanuit die zekerheid mogen wij ook anders naar anderen kijken. Wie weet dat hijzelf genade heeft ontvangen, hoeft een ander niet kleiner te maken. Wie weet dat hij door God gezien wordt, kan leren ook de ander werkelijk te zien.
Zo wordt de boodschap van Ki Tavo heel persoonlijk:
Wanneer God ons laat binnengaan in een nieuwe fase van ons leven, mogen wij niet vergeten Wie ons daar gebracht heeft.
Wij mogen dankbaar ontvangen, vrijmoedig delen en met vertrouwen verdergaan.
Want uiteindelijk zijn wij niet wat wij bezitten, niet wat wij presteren en niet wat anderen over ons zeggen.
Wij zijn kostbaar in Gods ogen. Zijn geliefde bezit. Zijn segulah.
En wie dat werkelijk leert verstaan, hoeft niet langer vanuit onzekerheid te leven, maar mag steeds meer leven vanuit dankbaarheid, vertrouwen en de vrijheid van Gods genade.