Lezingen: Deuteronomium 32:1–52; Hosea 14:2–10; Micha 7:18–20; Joël 2:15–27; Johannes 20:26–21:25

“Luister, o hemel, en Ik zal spreken; hoor, o aarde, de woorden van Mijn mond.” ( Deut.  32:1)

De naam van deze parasha, Ha’azinu, betekent: luister! Het is een passende naam voor het lied dat Mozes aan het einde van zijn leven aan Israël meegeeft. Hij heeft de leiding inmiddels overgedragen aan Jozua, de Tora voltooid en deze aan de Levieten toevertrouwd. Nu staat hij aan het einde van zijn aardse weg. Zijn woorden zijn geen gewone afscheidstoespraak. Het is een lied waarin hij Israël herinnert aan Gods trouw, maar tegelijk waarschuwt voor de gevolgen van ongehoorzaamheid.

Ha’azinu laat daarmee twee lijnen naast elkaar zien: de ontrouw van de mens en de onveranderlijke trouw van God. Israël zal tekortschieten, zich van God afwenden en andere goden volgen. Maar God laat Zijn volk niet los. Hij blijft de God van het verbond, de Rots van Israël, Die straft wanneer dat nodig is, maar ook geneest, vergeeft en redt.

 

Hoopvol uitzien

Aan de oevers van de Rode Zee zong Mozes eerder een loflied voor God (Ex. 15). Nu, aan het einde van zijn leven, klinkt opnieuw een lied. Het beloofde land ligt voor Israël, maar Mozes zelf zal de Jordaan niet oversteken. Vanaf de berg mag hij het land zien, maar hij zal er niet binnengaan.

Toch klinkt er geen bitterheid in zijn houding. Mozes heeft zijn roeping volbracht. Hij mag terugkijken op Gods leiding en vooruitzien naar wat God voor Israël heeft voorbereid. Zijn leven leert ons dat hoop niet afhankelijk is van het feit of al onze persoonlijke verwachtingen worden vervuld. Soms mogen wij het beloofde land als het ware vanaf de berg zien, zonder zelf alles mee te maken wat wij hadden gehoopt.

Ook in het leven van Yeshua zien we deze lijn. Hij ging de weg van het lijden en het kruis, maar deed dat met het oog op wat daarna zou komen: de overwinning en de opstanding (Joh. 3:16; Hebr. 2:9). Het geloof leert ons daarom verder te kijken dan wat vandaag zichtbaar is.

Paulus verwoordt dat treffend: “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben.” ( 1 Kor. 2:9)

Er is meer bij God dan wat wij nu kunnen zien. Dat geeft hoop wanneer onze verwachtingen niet uitkomen en onze weg anders loopt dan wij hadden gedacht.

 

God is de Rots

Een van de centrale beelden in Ha’azinu is dat van de Rots: “Hij is de Rots, Wiens werk volmaakt is, want al Zijn wegen zijn een en al recht. God is waarheid en geen onrecht; rechtvaardig en waarachtig is Hij.” (Deut. 32:4).

In het lied van Mozes wordt God meerdere malen HaTsur, de Rots, genoemd. Ook elders vinden we namen als El Tsur, God onze Rots, en Tsur Yisrael, de Rots van Israël. Het beeld spreekt van vastheid, betrouwbaarheid en veiligheid. Een rots beweegt niet mee met de omstandigheden. Zij blijft staan wanneer alles om haar heen verandert.

Dat is ook wie God is. Zijn karakter verandert niet wanneer mensen veranderen. Zijn trouw hangt niet af van onze trouw.

Het Nieuwe Testament legt vervolgens een bijzondere verbinding met de Messias. Paulus schrijft dat Israël in de woestijn dronk uit de geestelijke rots die met hen meeging: “En die rots was Christus.”— 1 Korinthe 10:4

De Rots die Israël in de woestijn vergezelde, wijst daarmee vooruit naar Yeshua, de Messias. Zoals God Zijn volk door de woestijn leidde, zo mogen ook wij erop vertrouwen dat Hij ons niet alleen laat op onze eigen woestijnreis.

Wanneer wij ons onzeker of verlaten voelen, mogen wij ons vastklampen aan die Rots. God kent onze wegen en ziet zelfs onze tranen (Ps. 56:8). Onze omstandigheden kunnen veranderen, maar Hij blijft dezelfde.

 

Een liefdevolle Vader

Ha’azinu schildert een indringend beeld van de verhouding tussen God en Israël. Israël wordt beschreven als een volk dat gemakkelijk vergeet Wie het heeft voortgebracht en verzorgd. God daarentegen blijft trouw.

Hij had Israël uit Egypte geleid, door de woestijn gedragen, voorzien van manna, beschermd en geleid. Toch keert het volk zich steeds opnieuw van Hem af. Het vergeet de Rots die het heeft voortgebracht en wendt zich tot andere goden.

Dat maakt de tegenstelling scherp: tegenover Israëls ondankbaarheid staat Gods goedheid.

Wanneer Israël kiest voor ongehoorzaamheid, heeft dat gevolgen. Zegen en vloek, leven en dood worden Israël voorgehouden. De rampen die volgen zijn geen bewijs dat God ontrouw is geworden, maar laten juist zien dat ongehoorzaamheid gevolgen heeft.

Toch eindigt het verhaal niet bij oordeel. God blijft Zijn volk zoeken. Israël wordt genoemd “het deel van de HEERE” en Jakob is Zijn “toegewezen erfdeel” (Deut. 32:9). Zelfs wanneer Israël afdwaalt, blijft Gods verbondstrouw zichtbaar.

Die trouw wordt ook in Zacharia verwoord: “Wie Israël aanraakt, raakt de oogappel van Mijn oog aan.” (Zach. 2:8)

Gods verbondenheid met Israël is zo diep dat Hij het gevaar voor Zijn volk als het ware persoonlijk raakt.

Dat roept ook bij ons zelfonderzoek op. Hoe gemakkelijk kunnen wij vergeten wat God voor ons heeft gedaan? Hoe vaak zoeken wij zekerheid bij andere dingen? Ha’azinu brengt ons terug bij de vraag: Waarop bouwen wij werkelijk?

 

God heeft macht over leven en dood

Een van de krachtigste uitspraken in Ha’azinu staat in Deuteronomium 32:39: “Zie nu in dat Ik, Ik Die ben, er is geen God naast Mij. Ík dood en Ik maak levend, Ik verwond en Ík genees en er is niemand die uit Mijn hand redt!”

Hier wordt duidelijk gemaakt dat God alleen God is. Hij heeft macht over leven en dood, over verwonding en genezing. Niets en niemand staat boven Hem.

Voor Mozes is dat uiteindelijk ook persoonlijk. Hij beklimt op Gods bevel de berg Nebo. Daar mag hij het beloofde land zien, maar hij zal het niet binnengaan. Zijn aardse weg loopt ten einde.

Toch is ook hier Gods trouw zichtbaar. Mozes hoeft niet alles te begrijpen of alles zelf af te maken. Hij mag zijn leven uit handen geven aan de God Die hem geroepen heeft.

Dat kan ook ons troost geven. Er zijn momenten waarop wij weinig kunnen beïnvloeden. We kunnen niet alles vasthouden, niet alles herstellen en niet elke uitkomst bepalen. Maar we mogen leren vertrouwen op Hem Die alles in Zijn hand houdt.

 

Luisteren, vertrouwen en leven

Ha’azinu begint met het woord luister. Dat is veelzeggend. Geloof begint niet bij onze prestaties, maar bij het horen van Gods stem.

Mozes roept hemel en aarde op om te luisteren. Israël moet luisteren naar de woorden van God, omdat die woorden leven geven. Aan het einde zegt Mozes: “Het is geen woord zonder inhoud voor u, maar het is uw leven.” (Deut. 32:47)

De Tora is voor Israël geen verzameling betekenisloze regels. Gods woorden wijzen de weg van het leven. Ook in het Nieuwe Testament blijft deze lijn zichtbaar. Wie Gods genade heeft ontvangen, wordt geroepen tot gehoorzaamheid, heiligheid en een leven dat aan Hem is toegewijd (Ef. 4:17–24; Fil. 3:18–19).

Die gehoorzaamheid is geen betaling voor Gods genade. Paulus maakt duidelijk dat genade juist een geschenk is dat niet verdiend kan worden (Rom. 11:6). Onze gehoorzaamheid is daarom een antwoord op wat God ons eerst heeft gegeven.

Ook mensen die oorspronkelijk buiten Israël stonden, zijn door de Messias dichtbij gebracht en mogen delen in Gods beloften (Ef. 2:12, 19–21). Daardoor klinkt de oproep van Ha’azinu ook vandaag: luister naar God, vertrouw op Zijn trouw, keer terug wanneer je bent afgedwaald en leef vanuit de Rots.

 

Reflectie

Ha’azinu brengt ons uiteindelijk bij een persoonlijke vraag: waar luisteren wij naar?

Er klinken in ons leven veel stemmen. Onze eigen verwachtingen, teleurstellingen, angsten en onzekerheden kunnen soms luider spreken dan Gods beloften. Mozes leert ons echter om opnieuw te luisteren.

Zijn leven eindigt op een berg. Hij ziet het beloofde land, maar ontvangt het niet zoals hij het misschien had kunnen verwachten. Toch rust hij in Gods trouw. Dat is een diepe les. Misschien is geloof niet altijd dat wij krijgen wat wij hebben gehoopt, maar dat wij God vertrouwen wanneer de weg anders loopt.

De Rots blijft staan.

Wanneer wij ons verlaten voelen, wanneer wij onzeker zijn over de toekomst of wanneer wij geconfronteerd worden met verlies, mogen wij weten dat God niet verandert. Hij kent onze weg en ziet onze tranen. Hij is dezelfde God Die Israël door de woestijn leidde.

Maar Ha’azinu roept ons niet alleen op om te vertrouwen. Het roept ons ook op om terug te keren. Misschien zijn wij zelf van de Rots afgedwaald. Misschien hebben wij zekerheid gezocht in dingen die uiteindelijk geen fundament blijken te zijn.

Dan klinkt opnieuw de stem van de profeet: Sjoeva – keer terug.

Niet omdat God ons op afstand wil houden, maar juist omdat Hij ons wil herstellen. Teshuvah brengt ons terug bij de God Die geneest en vrijwillig liefheeft.

Daarom is Ha’azinu uiteindelijk geen lied van wanhoop. Het is een lied dat ons leert luisteren naar Gods trouw. Het herinnert ons eraan dat Hij de Rots is onder ons leven, de Vader Die Zijn volk niet loslaat en de God Die macht heeft over leven en dood.

Mogen wij daarom leren luisteren. En mogen wij rust vinden in de zekerheid dat de Rots waarop wij bouwen niet wankelt.

God blijft trouw.